PEETERS ONLINE JOURNALS
Peeters Online Bibliographies
Peeters Publishers
this issue
  previous article in this issuenext article in this issue  

Document Details :

Title: Enuresis nocturna: feiten, diagnose en therapie anno 2003
Author(s): DARRAS J, BOGAERT G
Journal: Tijdschrift voor Geneeskunde
Volume: 59    Issue: 22   Date: 2003   
Pages: 1387-1393
DOI: 10.2143/TVG.59.22.5001735

Abstract :
Primaire monosymptomatische enuresis nocturna is een veelvoorkomend probleem met mogelijk een invaliderende psychosociale weerslag bij kinderen. De genetische etiologie werd duidelijk aangetoond, maar een precies gen nog niet ge√Įdentificeerd.
Drie systemen zijn belangrijk in de pathogenese van enuresis nocturna: een verhoogde wekbaarheidsdrempel, een hoge nachtelijke urineproductie en een nachtelijke detrusoroveractiviteit.
Een zorgvuldige anamnese en een klinisch onderzoek kunnen meestal volstaan voor de diagnose van primaire enuresis nocturna. Bij refractaire gevallen is een verdere technische investigatie aangewezen. De kans op een spontane resolutie van het probleem bedraagt 15% per jaar.
Combinatietherapie onder de vorm van desmopressine en een anticholinergicum (oxybutynine of tolterodine), lijkt voorlopig de snelst werkende, effectieve therapie. Methoden die gebruikmaken van een enuresis-nocturna-alarm hebben niet onmiddellijk effect en vragen wat meer inspanning van ouders en kind, maar ze blijken minstens even doeltreffend als de medicamenteuze therapie. Na het stoppen van de therapie treedt weliswaar minder recidief op. Imipramine moet wegens zijn bijwerkingen met voorzichtigheid aangewend worden en is daarom niet aan te raden als eerstelijnsbehandeling. De keuze van de therapie voor primaire enuresis nocturna moet bepaald worden in samenspraak met het kind en de ouders.





Nocturnal enuresis: facts, diagnostic and treatment in 2003
Primary nocturnal enuresis is a common problem with important psychosocial repercussion(s) in children. The etiology of enuresis has been demonstrated to be determined by heredity, although no exact gene has been identified so far.
Three systems appear to play a role in the pathogenesis of nocturnal enuresis: arousal difficulties, a high nocturnal production of urine and nocturnal detrusor overactivity. Careful history taking and examination of the patient are usually sufficient to make the diagnosis of primary monosymptomatic nocturnal enuresis. In cases refractory to therapy or in nonmonosymptomatic nocturnal enuresis, a further investigation can be advocated. A child, suffering from nocturnal enuresis, has 15% chance per year to become dry spontaneously.
Combination therapy consisting of desmopressin and an anticholinergic drug, oxybutynine or tolterodine, seems to constitute the most effective one, producing immediate results. If side effects with oxybutynine do occur, it is recommended to use tolterodine. Combination therapy with enuresis alarms is at least as effective and after withdrawal relapse is less frequent. Enuresis alarms are only effective after 5-12 weeks of therapy and are thus quite demanding for both child and parents. Imipramine should be used with extreme caution because of its major side effects. Therefore therapy must be chosen in a dialogue with the child and his parents.
At this moment reliable diagnostic tests to subtype the population of enuretic children, are not available.

download article




3.90.56.90.